SHH – Sociale HuisHond

SOCIALE HUISHOND

Bij de sociale huishond ligt de nadruk op sociaal en wenselijk gedrag van de hond. Bij deze cursus worden onder andere de volgende onderdelen in de praktijk gebracht:
1. Lopen aan de lijn
2. Geluidproef
3. Voedsel weigeren
4. Visuele prikkel
5. Achterlaten met afleiding
6. Omgang hond – hond
7. Omgang hond – mensen
8. Komen indien geroepen
9. Omgang begeleider – hond
Hieronder volgt per onderdeel een korte omschrijving.

LET OP: DEZE TEKST IS NOG IN CONCEPTFASE

1. Lopen aan de lijn

Op het examen wordt van de begeleider verwacht, dat hij geheel zelfstandig een voorgeschreven loopschema met een aangelijnde hond aflegt. Op teken van de keurmeester legt de combinatie het voorgeschreven loopschema zelfstandig af. De hond moet aangelijnd meelopen. De hond hoeft niet te “volgen” in de zin van de overige GG -programma’s. De geleider mag de hond bij een bocht kort attenderen. De stukken die tussen de verschillende oefeningen worden gelopen tellen ook mee voor de beoordeling.

2. Geluidproef

De begeleider loopt met de aangelijnde hond over het terrein in een richting door de keurmeester aangegeven. Tijdens deze wandeling klinkt op ongeveer 20 meter achter de hond plotseling een geluid. Hoe het geluid voor deze proef gemaakt wordt, wordt in overleg met de keurmeester bepaald. Dit kan gebeuren door gebruik te maken van bij voorbeeld een emmer met knikkers, een blik met steentjes, een houten ratel of een schot (maximaal 6 mm). Het geluid mag pas gegeven worden als de hond en begeleider ongeveer 20 meter verwijderd zijn van de plaats waar het geluid gemaakt wordt. De hond mag niet zien wie of wat er geluid maakt.
De begeleider loopt, nadat het geluid gestopt is, nog 5 meter door en houdt dan halt. De hond dient dan onmiddellijk de zitpositie aan te nemen. Dit halt houden wordt niet opgelegd door de keurmeester en mag met een mondeling commando aan de hond kenbaar worden gemaakt. Als de hond omkijkt, zal dit niet negatief beoordeeld worden. De hond mag schrikken van het geluid, maar de mate van schrikken kan leiden tot lagere kwalificaties.

3. Voedsel weigeren

De keurmeester heeft drie verschillende soorten voedsel ter beschikking:
– voedsel met sterk geur (rookworst, frikadel of pens),
– voedsel dat op een normaal hondenmenu staat (hondenkoek of hondenvoer),
– voedsel dat een hond zoal op straat kan vinden (een stuk brood, kaas of een koek).
De verschillende soorten voedsel liggen op een verharde ondergrond, verspreid op een rechte lijn van ongeveer 20 meter. De hond moet er makkelijk bij kunnen.
Op het teken van de keurmeester loopt de begeleider met hond in een rechte lijn langs het voedsel. De maximaal toelaatbare afstand tussen het voedsel en de hond is 1 meter. De begeleider moet gewoon doorlopen. Indien noodzakelijk mag er een commando of signaal gegeven worden als de hond afgeleid is door het voedsel. In dat geval zal dit tot puntaftrek leiden.

4. Visuele prikkel

Het voor deze oefening gebruikte voorwerp (de “visuele prikkel”) mag alleen een normaal formaat paraplu of een vlag zijn.
Een trainer stelt zich met het voorwerp achter een muur of schot (het verstek) op, onzichtbaar voor de hond. Op het teken van de keurmeester loopt de begeleider met de aangelijnde hond in de door de keurmeester aangegeven richting. Als de begeleider met zijn hond het verstek van de trainer tot op 5 meter is genaderd, laat deze de visuele prikkel zien. De trainer legt het voorwerp op de grond en loopt er zelf bij weg. De afstand tussen hond en voorwerp moet ongeveer 3 meter zijn. Begeleider en hond lopen langs het voorwerp en staan na 5 meter stil. De hond krijgt het commando om te gaan zitten.

5. Achterlaten met afleiding

Op het examenterrein zijn in overleg met de keurmeester een aantal vaste punten. Deze punten hebben een onderlinge afstand van ongeveer 5 meter. Zodat het onmogelijk is dat de honden onderling lijfelijk contact kunnen hebben.
Bij deze oefening wordt een groep figuranten (“de groep”) gebruikt als afleiding voor de honden. Deze figuranten moeten zich rustig gedragen en mogen de honden niet direct aankijken. Tijdens de oefening mag in de groep onderling gesproken worden, maar het is niet toegestaan namen te noemen van de honden die aan de oefening meedoen. Tijdens het onderlinge gesprek mag de groep ook geen commando’s gebruiken.
De keurmeester zal een aantal begeleiders verzoeken met hun hond naar een aangewezen plaats te lopen, waar de hond wordt vastgemaakt aan de vaste punten (dit mag d.m.v. de eigen lijn) en in de gewenste positie (naar keuze van de begeleider) geplaatst. Daarna verlaten de begeleiders, op een teken van de keurmeester, de honden. Elke begeleider mag, voordat hij/zij de hond verlaat, een commando geven om te blijven. De begeleiders sluiten zich vervolgens aan bij de groep figuranten, welke op een door de keurmeester aangewezen plaats, in het zicht van de honden, staat te praten. Zonder de begeleiders wandelt de groep op verzoek van de keurmeester langs de honden, waarbij de afstand tot de honden ongeveer vier (4) meter bedraagt. De groep loopt in een normaal wandeltempo langs de honden. Ongeveer tien meter voorbij de laatste hond keert de groep om en loopt terug naar het startpunt van de wandeling om zich daar weer bij de achtergebleven begeleiders te voegen. Ten slotte wordt dezelfde wandeling gemaakt door een figurant met een “stand-in” hond. Als de figurant met zijn hond weer op het startpunt is teruggekeerd, zal de keurmeester de begeleiders vragen terug te keren naar hun honden. Het einde van de oefening zal door de keurmeester worden aangeven, wanneer alle begeleiders weer naast hun hond staan. Geeft U commando’s of noemt U de naam van uw hond, nadat U de hond verlaten heeft, dan zal dat leiden tot aftrek.

6. Omgang hond – hond

Deze oefening wordt uitgevoerd in het vak. In het vak zullen gedurende deze oefening minimaal 4 en maximaal 6 deelnemers lopen. Zo nodig kan gebruik worden gemaakt van “stand-in” honden. De keurmeester zal de combinaties opdracht geven in het vak door elkaar heen te lopen. De begeleiders mogen tegen de honden praten om de aandacht vast te houden. Op het teken van de keurmeester houden alle begeleiders halt met de honden naast zich in de zitpositie. Op een teken van de keurmeester lopen twee combinaties zodanig langs elkaar heen dat de honden elkaar tegemoet lopen. Tijdens het passeren mag de afstand tussen de honden niet meer dan 1 meter bedragen.

7. Omgang hond – mensen

Voor deze proef wordt gebruik gemaakt van drie figuranten. Zij mogen de hond niet rechtstreeks aankijken of de hond dwingen om aangeraakt te worden. Op het examen terrein worden twee situaties nagebootst: de terrassituatie en de driehoeksituatie.
Voor de terrassituatie wordt op een plaats een terras gemaakt het liefst op een verharde ondergrond. Op het terras staan vier stoelen, de tafel ontbreekt. Omdat het mogelijk moet zijn om eventueel vluchtgedrag van de hond vast te stellen, mag het terras niet tegen een muur of hek zijn gelegen.
De figuranten nemen elk plaats op een stoel. De begeleider komt, na een teken van de keurmeester, met de hond naar het terras en neemt plaats de vierde stoel. De hond krijgt opdracht om te gaan zitten of liggen en dient zich rustig te gedragen in deze situatie. De figuranten maken een praatje met de begeleider. Twee van de figuranten zullen de begeleider vragen of ze de hond mogen aaien. De hond mag naar de figuranten gaan en zich vrolijk gedragen. De twee figuranten aaien beurtelings de hond. De derde figurant stelt zich passief op en negeert de hond. Het is niet toegestaan dat de hond tegen de figuranten opspringt.
Voor de driehoeksituatie wordt op een deel van het veld een driehoek uitgelegd, bijvoorbeeld met behulp van drie halve bollen. De halve bollen liggen ongeveer 10 meter uit elkaar.
Op aanwijzing van de keurmeester loopt de begeleider met zijn hond een rondje buitenom de driehoek. Volgt de hond aan de linkse kant van de begeleider, dan loopt de combinatie tegen de klok in om de driehoek. Bij een rechts volgende hond is de looprichting met de klok mee. De hond loopt dus altijd tussen de passieve personen en zijn begeleider. Daarna gaat de geleider naar het hart van de driehoek, waar hij/zij stil blijft staan met de hond naast zich in zitpositie. Op een teken van de keurmeester lopen de drie figuranten in de richting van de deelnemer en blijven op ongeveer 1 meter van de deelnemer stil staan. Nadat de figuranten 2 meter terug gestapt zijn, komt de keurmeester naar de begeleider toe en geeft deze een hand. Terwijl de keurmeester met de begeleider spreekt zal hij naast de zittende hond gaan staan en zal hij deze een aai geven. De keurmeester zal dan de figuranten vragen zich terug te trekken. Daarna gaat de keurmeester weer voor de begeleider en de hond staan en vraagt de begeleider het gebit van de hond te tonen.

8. Komen indien geroepen

Deze oefening wordt uitgevoerd in het vak. Aan de oefening doen minimaal 4 honden en maximaal 7 honden mee per sessie. Indien nodig kan gebruik gemaakt worden van “stand-in” honden. De begeleider dient te allen tijde in te grijpen, wanneer dit nodig wordt geacht. Op een teken van de keurmeester begeven de begeleiders zich met hun aangelijnde honden in het vak. De begeleiders lopen vrijelijk binnen het vak. Na enige tijd krijgt de eerste begeleider een teken om zijn hond los te maken. De begeleider geeft de hond daarbij het commando om te gaan zitten of liggen. De hond moet blijven zitten of liggen, terwijl de begeleider 10 meter in een door de keurmeester aangegeven richting loopt.
Blijft de hond niet zitten of liggen, dan mag deze door de ringmeester vastgehouden worden. De beoordeling wordt hierdoor één kwalificatie lager. Op een teken van de keurmeester roept de begeleider de hond voor. Deze moet bij de begeleider komen en wel zodanig dat de begeleider de hond kan aanlijnen. Zodra de begeleider de hond heeft aangelijnd, loopt de begeleider verder binnen het vak.
De volgende begeleider krijgt nu een teken de oefening uit te voeren. Dit gaat zo door totdat de hele groep aan de beurt geweest is.
De combinaties die niet aan de beurt zijn, blijven in beweging zonder de combinatie, die met de uitvoering van de oefening bezig is, te hinderen. Indien honden zich misdragen, mogen de begeleiders de hond tot de orde roepen, zonder dat dit van invloed is op het resultaat van de oefening. Het tot de orde roepen dient mondeling te gebeuren.

9. Omgang begeleider – hond

Gedurende alle oefeningen wordt de omgang van de begeleider met zijn hond beoordeeld. Het is belangrijk dat de hond steunt op zijn begeleider en daar dus ook steun van ontvangt, waar dat nodig is. In alle gevallen is de begeleider verantwoordelijk voor zijn hond en het gedrag van zijn hond. Indien de begeleider hierbij ernstig in gebreke blijft, kan de keurmeester de combinatie van het veld verwijderen. Ook indien het belang van de hond geschaad wordt bij het continueren van het examen, mag de keurmeester de combinatie van verdere deelneming uitsluiten.